Ecowijken, weldaad voor oud en jong

Twee dominante stedenbouwmodellen hebben geleid tot het mobiliteitsinfarct en de onleefbare steden die we nu kennen. Ook de economische kost van het Belgische woonpatroon is immens: wij hebben maar liefst 25% meer energie nodig voor hetzelfde welvaartspeil als onze buurlanden. Het file- en gezondheidsleed zijn dan nog niet meegerekend. Ons ruimtegebruik moeten we daarom dringend anders organiseren. We moeten naar een lobbenmodel zoals in Amsterdam, Berlijn, Valencia en Kopenhagen. Ook met kleinere projecten  kunnen we de transitie naar ecodorpen, -wijken en -steden op gang trekken.

Erik Rombaut licht toe:

Twee achterhaalde stedenbouwmodellen

De concentrische stad vormt een olievlek vanaf een oud centrum, goed zichtbaar op foto’s van Athene of stadsplannen van Antwerpen en Brussel. Ongestuurde stadsuitbreiding verloopt doorgaans volgens dit model. Ruimte wordt volgebouwd, groene plekken verdwijnen, water wordt weggestopt.   

Toen de auto zijn intrede deed in deze stad, ontstonden er vanzelfsprekend conflicten tussen auto’s en zwakke weggebruikers. Voetgangers werden aan de kant geduwd. Ook het openbaar vervoer moest wijken. De grote verkeers-onveiligheid en -onleefbaarheid deed gezinnen met kinderen naar de rand verhuizen. Ze vonden er rust en groen, maar woonden ver van school, werk en winkel. Ze waren dus afhankelijk van de auto. Zonder auto geen stadsvlucht. Het onaangename neveneffect was verkeerscongestie, verhoogde stress, hogere vervoerskost en nieuwe verkeersonveiligheid.     

Het concentrische stadsmodel creëerde nog een ander zeer kwalijk neveneffect: zomersmog. Die vinden we ook bij ons op warme dagen in de zomer. Zomersmog veroorzaakt significante oversterfte. Dat bleek duidelijk tijdens de hittegolf van 2003, toen van Zuid-Europa tot bij ons meer dan 70.000 extra overlijdens werden geregistreerd tussen juni en september, vooral onder oudere mensen en CARA-patiënten. Hoe werkt die zomer- of (lage) ozonsmog?  Omdat bouwmaterialen als steen, beton en asfalt warmte opslaan, ontstaat in de stad een hitte-eilandeffect. Het is er 3°C warmer dan op plaatsen met groen of water. Warme, droge lucht is onaangenaam, maar hitte lokt het ontstaan van smog uit. Die bevat behalve schadelijke stikstofverbindingen (Nox’en) ook het giftige ozon. In Vlaanderen veroorzaakt zomersmog 700 tot 800 extra overlijdens. Reken daar de sterfte bij door fijn stof, afkomstig van diesels en je begrijpt wat de oversterfte-statistieken vertellen. Het zijn vooral ouderen die te vroeg sterven door onoordeelkundige stedenbouw.

Er is een weg terug van de hitte-eilanden die volgebouwde stedelijke gebieden zijn, zowel vegetatie als water, d.i. groene en blauwe landschapselementen, bieden verkoeling en betere luchtvochtigheid. Dat effect is er al op microschaal, d.w.z. zichtbaar op het infrarood-spectrum van één plant, b.v. een paardenbloem. Op stadsniveau is het duidelijk meetbaar. Het Citadelpark en de Blaarmeersen in Gent zijn in de zomer tot 3°C koeler dan versteende straten en pleinen en dat komt omdat verdamping warmte wegneemt uit het ecosysteem. We moeten dus dringend aan de slag met water en vegetatie, oftewel blauw-groene structuren. Met halve maatregelen oftewel symptoom-bestrijding bij ozonpieken komen we er niet.

De garden cities of tuinsteden ontstonden in het 19de eeuwse industriële Engeland als woonmodel voor de arbeidersfamilies rond mijnen en grote fabrieken. Het tuinstadmodel is ook hét model van de Vlaamse verkaveling. Dat huisje-tuintje-autootje-ideaal impliceert hoog fossiel brandstofgebruik (en dus lage brandstofprijzen) voor de vrijstaande, slecht geïsoleerde woningen. In de winter kost de verwarming veel energie, in de zomer de koeling. Individueel autobezit is nodig. Jaarlijks gaat in dit land dan ook     5 miljard euro naar salariswagens. Ook een woonbonus is noodzakelijk voor dit systeem.

Het grote probleem met dit model is dat openbare nutsvoorzieningen als riolering, openbare verlichting, huisvuilophaling en post eigenlijk onbetaalbaar zijn precies door de verkaveling en verlinting en dat wij samen met Malta koploper zijn qua verzegelde d.w.z. bebouwde of geasfalteerde oppervlakte. De gigantische maatschappelijke meerkost van onze 35.000 ha verkavelings- en 4100 tot 6000 km lintbebouwing in Vlaanderen, lijkt nog niet tot het beleid te zijn doorgedrongen. Maar dat 11 miljoen Belgen of 6 miljoen Vlamingen een heel land nodig hebben, terwijl daarvoor in het buitenland vaak één stad volstaat, zou toch duidelijk moeten maken dat de scheiding van de functies wonen-werk-recreatie (verdedigd door o.a. Le Corbusier) ecologisch en sociaal niet te verdedigen blijft. Om evenveel BNP te creëren als pakweg een Duitser heeft een Belg 25% meer energie nodig! Sleutelen aan de loonkloof met het buitenland zou dus wel eens sleutelen aan onze ruimtelijke ordening kunnen betekenen. Maar o wee de politicus die aan één van de pijlers van ons woonpatroon en onze ruimtelijke chaos raakt! Tenslotte zijn al die verkavelingen ook extra problematisch voor ouderen omdat zij vaak wonen in de minst geïsoleerde en te grote woningen met te grote tuinen, in een monofunctionele buurt bovendien, met weinig infrastructuur voor veilig wandelen of fietsen en met grote kans op vereenzaming. Wij hebben dus een probleem in België.

Lobben-, vinger- of sterrenstad

Deze stad heeft een compact stadscentrum met essentiële functies als ziekenhuizen en cultuurcentra en daaromheen hoogdynamische stadslobben met gemengde functies in elke lob - zowel wonen als bedrijfsterreinen, kantoren, handel, georganiseerde recreatie - , die gedragen zijn door een verkeers- en openbaar vervoersnetwerk. Daartussen liggen de laagdynamische blauwgroene vingers met een netwerk van voet- en fietspaden, zachte recreatie, stadslandbouw, kerkhof, water, bos en natuur. In de jaren ’30 kozen Hamburg en Keulen al voor dit model. In 1935 volgde Amsterdam, in 1948 Kopenhagen en later nog Freiburg, Berlijn, Stuttgart, Stockholm en recenter ook Valencia. Deze steden hebben begrepen dat de natuur zelf zorgt voor koelinfrastructuur op warme dagen. Zodra de lucht stijgt boven de hitte-eilanden, begint er een verfrissende bries te waaien vanuit de koelere blauwgroene zone. Geheel gratis. Hoeveel groenblauw er nodig is voor zulke ventilatie kan worden berekend. Voor Valencia is dat 200 ha om de temperatuur 3°C te doen dalen.  

Het blauwgroen netwerk scheidt bovendien de woonwijken van elkaar voor autoverkeer. Auto’s moeten via een ringweg naar een andere wijk. Fietsers en voetgangers kunnen wel binnendoor, veilig bovendien. Zo is de lobbengemeente Houten (Nl) alom bekend voor haar fietsvriendelijke ruimtelijke ordening. In Freiburg maakte de voldoende hoge bouwdensiteit investering in een bovengronds tramnetwerk mogelijk. Vlaanderen blijft evenwel verder bouwen aan de concentrische stad. Sint-Niklaas verhuisde het ziekenhuis naar een autolocatie, Aalst bouwt op overstromingsgebied langs de Dender in plaats van daar blauwgroene vingers te plannen. Lobbensteden voorkomen juist de problemen die je met een ‘klassieke’ ordening creëert.

Woondensiteit combineren met ecologische en sociale meerwaarde voor ouderen

Een hoge bouwdensiteit impliceert niet dat je voor woontorens kiest, wel dat je publieke en private ruimte mengt  op wijkniveau. In Culemborg (Nl) hebben bewoners zowel een private als een gezamenlijke tuin. In Denemarken hebben panden vaak een gemeenschappelijke tuin en fietsberging. Elders wordt een ruimte met wasmachines gedeeld en krijg je het sociale effect van de dorpswasplaats van weleer. Of hoe het verleden en zijn sociale meerwaarde wordt heruitgevonden.

Er zijn twee belangrijke sleutels om een kwalitatieve hoge woondensiteit te creëren in stedelijke lobben.

  1. werken met burgerbouwgroepen bij het ontwikkelen van projecten, d.w.z. dat bouwheren elkaar leren kennen tijdens het traject, waardoor een organisch gegroeid project van cohousing kan ontstaan in plaats van het stereotiepe aanbod van projectontwikkelaars. De stedelijke overheid kan bijspringen door een ‘bouwmarkt’ te organiseren die als catalysator tussen burgers kan fungeren en die bouwgroepen kan helpen om een bouwkavel te vinden op hun maat.
  2. zorgen voor een goed doordachte publiek-private gradiënt zowel in de groene buitenruimten als binnen in de gebouwen. Voor ouderen doet het Abbeyfield-concept precies dat. Het mengt privé appartementen met gemeenschappelijke ruimtes – logeerkamers, bijvoorbeeld - , deelt ook de tuin en het zoekt een locatie in een multifunctionele omgeving en dicht bij openbaar vervoer. Zeker voor ouderen is een verstandige, zowel sociale als groene stedelijkheid nodig.

Ecowijken zijn een weldaad voor senioren.

De toespraak van Erik Rombaut staat op YouTube: hier klikken

 

Tags: 

Bijlagen: 

Datum agenda: 

vrijdag, november 17, 2017